Showing posts with label Marcel van der Kwaak. Show all posts
Showing posts with label Marcel van der Kwaak. Show all posts

Wednesday, 25 December 2013

WoNo Magazine 13.1 is here

Today we release a new WoNo Magazine, the first and last of 2013. A Christmas issue with Christmas. Missing deadline after deadline has it advantages, so to speak. It is a change from having a Christmas issue with Easter or in the summer holidays and certainly beats one in November. True to our motto: WoNo Magazine is released when it is released; so why not today.

In 13.1 you will find the best of the blog in the past months (and some more) and "new" musical adventures of our contributors over the past two years (and some more). Albums, live shows, interviews and stories; as usual you can find something to your liking in your magazine.

By the way

You can follow us on Twitter: @WoNoMagazine.
Receive alerts by installing a WoNo Magazine RSS feed into your Outlook account.
Will WoNo Magazine be on Facebook in 2014?
You can join the WoNo Magazine group on LinkedIn.
And don't forget, your daily shot of musical newness in this space.

And best of all: you can contribute yourself to this blog and future issues of WoNo Magazine.


Enjoy this new issue under the Christmas tree and on behalf of my co-editors, .No and Drentix, let me wish you a Merry Christmas and the best wishes for 2014!

Wo.

And here is the link this is all about: http://bit.ly/1gSInwlhttp://bit.ly/1gSInwl

Monday, 13 May 2013

In Het Ziekenhuis

Ik sta in de lift op weg naar mijn werkplek op de zevende verdieping. Er klinkt zachtjes muziek. Ik ben alleen. Totdat de lift op de vierde verdieping tot stilstand komt. De deur schuift open. Twee broeders die een bed de ruimte naast mij naar binnenrijden. Een oude man ligt in bed. Een van de broeders heeft in zijn ene hand een ijzeren buis vast waar een zakje boven in de top schommelt. Een lange doorzichtige slang loopt naar het hoofd van de oude man, waar aan de uiteinden twee korte stukje in zijn neus zitten. Langzaam komt er weer beweging in de lift. Ik kijk naar de oude man in bed. Zie op het hoofdkussen opgedroogd bloed. Bij elke inademing van hem zijn piepende geluiden hoorbaar, die de zachte muziek ernstig doet bederven. Als de lift tussen de zesde en de zevende verdieping blijft hangen, voorzie ik een lastig probleem aan het begin van deze dag. Ik kijk naar de wit geklede broeders met vastgespelde naambordjes. Ze fluisteren tegen elkaar, waarbij de een van de twee wijst op een regel die bestemming heeft op de aandoening van de oude man. Als ze elkaar aankijken kijken ze ernstig. Ik kijk naar wat zich afspeelt boven de deur. Beide lichten, van de nummers, zes en de zevende verdieping knipperen. Zelfs het achtergrond muziekje stopt na enkele krakende geluiden. Als of er ergens een stekker uit het stopcontact met moeite wordt uitgetrokken. Als een van de broeders met de lifttelefoon belt, zwaai ik paniekerig naar de hangende donkere bol, die als beeldvenster dient voor het beveiligingspersoneel beneden in de hal. Na enkele zwaaiende bewegingen stoot ik ineens hard tegen het bed. De bellende broeder laat de hoorn vallen en slaat tegen de stalenbedrand, en het slangetje valt uit de neus van de oude man. De lift maakt krampachtige schokken richting de zevende etage en stopt halverwege. Als ik het slangetje wil terugplaatsen floept de verlichting uit. Gevoelsmatig probeer ik toch op de tast de oude man te helpen. Ondertussen zit de slang nu in zijn kwijlende mond, door een laatste schok van de lift schiet de slang tot diep in zijn keel. Ik voel zijn maagslijm langs mijn arm, waarbij een warm druiperig mengel aan de binnenkant van mijn elleboog blijft plakken. In mijn gedachten hoor ik door de luidsprekers op het station, dat de trein richting Alkmaar enige vertraging heeft opgelopen. Ineens zie ik in de spleet van de deur de vloer van de zevende etage. Met enige krachtinspanning schuif ik de deur open zodat ik na een korte klimpartij mijn eindbestemming heb bereikt. Op mijn hurken zittend roep ik in het zwarte gat. `Er komt snel hulp, kalm blijven.` Bezweet loop ik de gang in om mijn dagelijkse arbeid te gaan verrichten. Als een normale doordeweekse dag, fluit ik de muziek die ik in de lift hoorde.
 
Marcel R. van der Kwaak

Monday, 18 March 2013

De garderobe

Zaterdagavond. In het muziekhuis, De Qbus, zal het aanstaande publiek de zaal vullen tot aan de menselijke maatstaf. Een dansavond. De muziek geprogrammeerd door het koppel dj´s van, De Leidse Danssalon, zal menig kloppend hart sneller doen slaan. Muziek uit de jaren tachtig, die het publiek alsmaar wil opzuigen tot aan onze tegenwoordige tijd van geest.

Als ik na een kort etensmaal, de garderobe inspecteer valt mij iets bijzonders op. Daarover later meer. Alle knaapjes hangen keurig in nummer volgorde. Ik besluit voor de ingang aan de straatzijde even te roken. Het is donker en de zachte regen klinkt eenzaam. Op geparkeerde auto´s, fietsen, brommers en op verveelt weggegooide plastic zakjes. Wanneer ik mij omdraai en naar binnenloop, hoor ik de klanken van deze jaren tachtig. Het blijkt een soundcheck om elk muzieknummer werkelijk goed tot zijn recht te doen komen. Inmiddels sta ik bij de garderobe en alles is gereed. Tijdens de vele bezoekers die avond, valt mij op dat er zoveel meer vrouwen zijn dan mannen. Het doet mij deugd. Er blijkt toch nog iets onzichtbaars in mij te mogen ontvouwen. Als een nog niet ontdekte bloemsoort op deze planeet. Achter de bar staand, zie ik de vele vrouwen. Dansend van geluk. De enkele aanwezige mannen in het duister toekijkend. Wachtend op voor hen juiste moment. Tegen het eind van de avond ben ik ingesloten door een muur van jassen, sjaals en tassen. Ineens valt mij oog op dat wat bijzonders was aan het begin van deze avond. Een leeg flesje waar een opgerold papiertje in zit ligt nu onder een rij jassen. Ik keer het flesje om en rol het papiertje uit. Ik strijk het papier zo goed mogelijk strak om het te kunnen lezen. Het blijkt een oproep. Een gescheiden vrouw die mij de vorige keer zag bij de garderobe, blijkt nu ook weer aanwezig te zijn. Carla, 44 jaar, half lang haar tot aan de schouders. Met vrolijke, maar ook nerveuze gevoelens bedenk ik mij dat ik haar deze avond langs heb zien komen. Wat nu? Moet ik tegen het eind van de avond in actie komen? Ik sluip achter de bar, dim het licht tot een minimum. Knijp mijn ogen dicht en enkele keren open. Tussen het dansende publiek zie ik haar zitten achter in de zaal, alleen met een glas rode wijn. Ik tap een biertje, pak een wijnglas en een fles rode wijn. Langzaam en een beetje dansend laveer ik de zaal door. Niemand heeft mij in de gaten, ga ik als een zwervende ziel op haar af. Als ik voor haar sta, kijk ik haar aan. Na een korte begroeting ga ik naast haar zitten. Terwijl ik haar glas inschenk, voel ik haar ene hand strijken tussen mijn knie en schaamstreek. Met haar andere hand brengt zij het gevulde wijnglas aan haar lippen. Ik duizel van haar en de muziek. Het brengt mij terug in de jaren tachtig toen ik nog niet wist om een situatie als deze tot een climax te kunnen brengen. In gedachten zijn wij op weg in een bootje voortdrijvend op een oceaan naar een onbewoond eiland, van, waarvan ik dacht, onbereikbare liefde.

Marcel M. van der Kwaak

Monday, 7 January 2013

De reflectie van onze geest

De lucht als ruit naar de eeuwige duisternis. Zo zag Tommy Cley het door zijn telescoop. Al in zijn vroegste jeugd was Tommy geobsedeerd door de vuurtoren. Elke keer als hij met zijn ouders naar het strand ging, moest hij vlakbij de vuurtoren zitten. Op een dag vlak voor zijn vertrek uit zijn ouderlijk huis las hij een advertentie dat de vuurtoren te koop stond. Een jeugddroom ontwaakte in werkelijkheid. Al tientallen jaren is het zijn domicilie, de vuurtoren. Vanuit hier werkt hij als filosoof en bestudeert hij het immense universum. Het dorp waar hij woont, is inmiddels volledig ontrokken aan de mens. Onbewoonde huizen in een voormalige woonwijk en braakliggend land waar een winkelcentrum was gelegen. Wat voordelen had, de natuurlijke rust is er voor teruggekomen. Voor boodschappen en allerlei andere benodigdheden moest Tommy naar de stad. Lange wandelingen maakt hij geregeld langs de vloedlijn als hij nog een laatste ronde doet, voordat hij bovenin de vuurtoren, achter het raam zijn warme maaltijd nuttigt en in de verte enkele schepen voorbij ziet komen. Zijn onderzoek, De Reflectie Van Onze Geest, was voor hem een lastig vraagstuk. Voorheen had hij wel een gedachtegang hoe de menselijke geest zich vertoonde tegenover de gehele schepping. Maar sinds hij enkele jaren terug, vier weken in coma was geraakt, had hij visioenen ontvangen die hij nooit zonder deze comateuze toestand de zichtbare werkelijkheid zou kunnen begrijpen. Zijn onderzoek begon met dartpijlen die hij op een sterrenkaart gooide. Als dan alle drie de pijlen een hemellichaam hadden getroffen ging hij die met zijn sterrenkijker nader bestuderen. Immers wist hij dat toeval niet kon bestaan. Dat dit uitsluitend te maken heeft met ernstige tekortkomingen in de verhouding tot ons denk gedrag en verwachtingspatroon. Inmiddels is zijn werk in een laatste fase. Over enkele dagen de voltooiing van zijn onderzoek en zou de Nobelprijs hem niet kunnen ontgaan, wist hij. Deze nacht zou er iets opmerkelijks en volkomen onverwacht in het leven van deze onderzoeker verschijnen. Tommy Cley, is deze avond vermoeid. Na lange dagen achtereen gewerkt te hebben zonder geslapen te hebben, is hij vroeg naar bed gegaan. Zelfs het bord en bestek en de lege drinkbeker is ongewassen op de eettafel achtergelaten. Door het openstaande raam, bladert de wind het boek met zijn onderzoek door. Een slagregen zorgt dat de nog vochtige inkt van de kroontjespen het laatste hoofdstuk met alle conclusies in zwarte bladzijdes inkleurt. Tommy Cley droomt ondertussen van een ontvangst van de Nobelprijs.

Marcel R. van der Kwaak

Monday, 24 December 2012

Een verbroken betovering.



Een aantal jaren terug op een vrijdagavond…



Ik neem achter in de kerk plaats. Langzaam loopt de kerk vol voor een nachtmis. Om niets van dit schouwspel te missen heb ik, doordat mijn ogen last hebben van een kleine refractiefout, mijn bril meegenomen. Zo zie ik de kerk scherp en geniet van deze voor mij bijzondere gebeurtenis. Kan ik u alvast verklappen. Ik kan u helaas door wat ik meemaakte niet vertellen welke kerk het betreft in de sleutelstad Leiden. Een vrouw met een huilend kind zoekt een zitplaats. Het bezorgt mij ergernis. Ik maak haar duidelijk dat de drie lege zitplaatsen naast mij al bezet zijn. Die overigens onbezet blijven. Gelukkig heb ik om deze zaak van gevoelens in bedwang te houden proviand meegenomen. In mijn binnenzak heb ik een flacon met inhoud die mij deze donkere dagen tussen kerst en oudjaar zonder al te veel onrust moet doorslepen. Om het oude jaar dat er dan niet meer is en het nieuwe jaar weer schoon te beginnen. Ik zie het als een reiniging of gelijktijdig een wassing om mijn geest weer in het juiste spoor te krijgen. Nadat een aantal aanwezigen handen schuddend een zitplaats hebben gevonden. Begint de voorstelling met gezang. Een koor van jonge en oudere vrouwen. Het klinkt prachtig en doet mij een aantal keren moeilijk slikken.



Ben onder de indruk. Kijk de hele ruimte nog eens aandachtig rond. Mijn speciale aandacht blijft rusten bij de enorme kerstboom in de hoek vlakbij een witte zuil die zich mooi aftekent tegen het binnen stralen van het volle maanlicht, door de afgebeelde Bijbelse figuren glas- in- rood raam.



Ongestoord pak ik de flacon uit mijn binnenzak. Schroef het open. En doe mij tegoed aan de inhoud. Het koor beƫindigd het gezang in een lange echo, dat terugkaatst tegen het hoge plafond. Bij de aanwezigen voel ik beroering. Een stilte die je nog maar weinig tegenkomt in deze tijd met zoveel mensen bijeen. De dominee spreekt een gebed. Door zijn donkere stem hoor ik niets van wat hij oreert. Ik wieg de flacon om de hoeveelheid ervan te kunnen traceren. Neem nog enkele slokken. Schroef het weer dicht en steek het weer in mijn binnenzak van mijn colbert. Het koor zingt nog enkele coupletten. Tijdens het gezang voel ik een aanblik vanuit de hoek nabij de kerstboom.



Tussen de zuil en het raam is een doorschijnend gezicht te zien. Ik poets snel nog mijn brillenglazen en voordat ik het weer opzet is het verdwenen. Wel zie ik dat als bij een lekkage vocht langs de zuil loopt. Als de aanwezigen opstaan en de kerk verlaten blijf ik als laatste zitten. “Is er iets?” hoor ik de dominee vragen. Ik sta op en verlaat de kerk op weg naar huis.

Marcel R. van der Kwaak

Monday, 17 December 2012

De voorbije dagen. Marcel R. van der Kwaak



In een park enkele meters voor de vijver zit een man. Ruimschoots zijn pensioenleeftijd voorbij geslapen en geleefd. Zijn bolhoed zit schuin op zijn hoofd en het zilveren montuur van zijn bril is een blikvanger voor de rondvliegende eksters. Hoewel hij het ochtendblad opgeslagen in zijn bevende handen heeft leest hij uitsluitend zijn verleden. Als hij af en toe wordt opgeschrikt door spelende kinderen die achter een jong wit gevlekt hondje rennen. De riem aan zijn slanke hals danst verschillende kanten op.

Wanneer de man eenmaal diep verborgen in zijn verleden zit, valt de ochtendkrant van zijn schoot. De hoed schuin op zijn hoofd geeft hem een komisch tintje. Een boot met toeristen kijken naar links en rechts terwijl de verhalenverteller zijn verhaal in verschillende talen door de microfoon spreekt. Een ekster pikt enkele stukken uit de krant bij de man en het laatste nieuws van deze dag wordt gebruikt voor een nestje. De man ziet zich in de zandbak van de kleuterschool. De juffrouw bekijkt het zandkasteel. Als ze wegloopt en terugkomt heeft zij in een kannetje water meegenomen. Ze geeft het aan de man die als kind de gracht om het zandkasteel met het water mag vullen. Zijn gedachten gaan naar zijn trouwdag. Hij kijkt met de ring in zijn hand zijn vrouw diep in de blauwe ogen, die hij al ruim dertig jaar heeft moeten missen. Hij ziet zijn drie kinderen uitwaaien het verdere leven in. Trouwen in verre landen en het altijd veel te druk hebben met van alles en nog wat.


Hij wordt opgeschrikt door een plaatselijke bui. De krant zuigt het hemelse water op en is al snel niet meer leesbaar. De man zet zijn hoed weer recht op zijn hoofd. Staat op en voelt enkele duizelingen opkomen door het lange zitten. Zijn wandelstok geeft hem genoeg steun. Terwijl hij de regen trotseert loopt hij nog even de stad in. Het is koopavond.

Niets heeft hij nog aan te schaffen, enkel een avondmaal bij de plaatselijke kruidenier. Met de radio aan eet hij een bescheiden avondmaal. Tussen muziek hoort hij sportuitslagen. Na het eten schenkt hij cognac in en zit in zijn crapaud. Steekt een pijp op en voelt zich voor even gelukkig en voldaan.

Monday, 3 December 2012

Octogonaal



Een muzikale eenheid, die slechts, eens in de vijf jaar een optreden ten gehore brengt.


Wederom Een Avond Om Nooit Te Kunnen Vergeten!



Het octogonaal draait in acht kleuren boven de wit geklede muzikanten. Al bij de eerste noten zwijmt het zwijgende publiek. Betoverend blaast een trompet, tikt de drummer nevelig met daardoorheen pianomuziek die seconden laat wegtikken, alsof de tijd terugdraait. En de luisteraars bij dit leven zich dood wanen en in de onverklaarbare hemelatmosfeer verkeren.

Het symbool hangend boven de bandleden, geeft bij vlagen in een spectrum van zacht licht de muzikanten een andere kleur. Tekenen van geluk en muzikale vrijheid zal nog lang die avond het aanwezige publiek doen doezelen en bij menigeen zorgen voor een vredige geest. 

 
Marcel R. van der Kwaak

Monday, 19 November 2012

En Toen Kwamen De Tranen


Een oude Friese staande klok tikt, en slaat om het half uur. In het verzorgingstehuis heeft zij een eigen kamer. Een vrouw. 96 jaar. Dit jaar ligt zij door ouderdomszwakheid, alleen maar in bed te wachten. Haar kat is omgerekend bijna net zo oud als zij. En ligt steevast op een apart kussen naast haar hoofd, zachtjes te spinnen. Beiden hebben zij een heel leven achter de rug, met nog een korte toekomst te gaan. De vrouw, een oud lerares klassieke talen. Door haar algehele gesteldheid praat ze moeizaam in de vreemde taal die ze ooit zo machtig was. In het Latijn. Haar lapjeskat Bricius. De gevlekte. 28 jaar geleden vond zij deze kat, nadat zij haar laatste college had gegeven.



Op die gedenkwaardige kerstavond. De sneeuw veranderde de versierde stad in een kerstkaart. Ze stapte het universiteitsgebouw uit, na een overweldigend afscheid, liep zij langs een van de grachten naar huis en hoorde vanachter een stapel dozen, vuilniszakken en ander afval een zacht gejammer. Een pasgeboren katje van vier weken jong, die haar moeder kwijt was geraakt. Een bestelbusje van de lokale ophaaldienst voor zwerfkatten, die de kleine toen niet had opgemerkt. Ze pakte het kleine donsje op. Keek in de ogen van zeldzame kraaltjes, die pas twee dagen het licht hadden gezien en zei. “Kom Bricius, wij gaan samen oud worden.” Al die jaren was zij in haar leven eindelijk moeder over deze pasgeborene. Kinderen heeft zij nooit kunnen krijgen. Voor haar een droevige mededeling die door de specialist al vroeg in haar leven werd vastgesteld.



Hierdoor had deze vrouw nooit een relatie aan willen gaan met de wetenschap, die haar kinderloosheid nooit zou kunnen wegnemen. De drukke werkzaamheden bleek een uitvlucht. Door de komst van dit poezenkind, gunde zij zichzelf de tijd om eindelijk eens aan een zeldzame liefde toe te geven. Waar zij ook heenging ze nam Bricius altijd mee. Eerst aan een lijn, later toen de kat aan artrose leed, in een halstasje. Altijd al was zij een sterke vrouw die emotieloos door het leven leek te gaan. Hierdoor vonden niet alleen de leerlingen maar ook haar collega’s het een afstandelijke vrouw. Hard en soms meedogenloos.



Een zuster stapt haar kamer binnen en heeft voor de vrouw en de kat een kerstmaaltje meegenomen op een dienblad. Het is kerstavond. Alle medebewoners zitten beneden in de feestelijke eetzaal aan een kerstdiner voorafgegaan door een gebed van de pastoor. Als de zuster de kamer verlaat, klinkt muziek en gezang. Met een laatste trillende streling over het kopje van Bricius, ziet zij ook de levensmoeheid in zijn ogen.



Ze duwt Bricius tegen haar aan en alle opgeslagen emoties van het leven rollen met dikke tranen langs haar bejaarden gezicht. Als zij betraand kijkt in de ogen van Bricius moet ze denken aan die eerste ontmoeting.

“Mijn lieve kind”, klinkt haar gebroken stem. Vanuit de gang hoort de zuster de kat een laatste klaagzang spreken. Ze snelt de kamer in en ziet de twee, met gesloten ogen tegen elkaar aan liggen. Ze pakt de stethoscoop en luistert eerst de vrouw en daarna de kat. Kijkt even opzij door het besneeuwde raam. Na een diepe zucht, staat ze op, pakt een kaars van de vensterbank en zet het op het tafeltje naast het bed. Steekt het aan en verlaat de kamer. 

Marcel R. van der Kwaak

Monday, 5 November 2012

Het metalen huis



Ergens diep verborgen in een eeuwenoud herenhuis, zit op een zolderkamertje een tienerjongen. Rolf. Zijn half lange haar dat op zijn schouders rust, geeft hem een meisjesachtig voorkomen. De ruimte waarin hij al maanden opgesloten zit is niet groter dan een vierkante meter. Een venster. Een uit vier verschillende kleuren bestaand ovaal glas-in-loodraam dat hem uitzicht geeft over de gracht. Sinds zijn vroege jeugd woont hij met zijn voor de wet gescheiden ouders, die ondanks alle hevige onenigheid besloten hebben bij elkaar te blijven wonen. Het enorme pand geeft hen genoeg levensruimte. Hij kijkt over de gehele stad. Van de ochtendzon totdat in de avond de lichten opgloeien.

Als het luik onderaan de deur naar boven schuift ziet hij een wit bord met pap. De avond valt gestaag. Rolf is bijna uitgeput. De pap die hij iedere keer te eten krijgt maakt hem steeds meer krachteloos. Hij is pas 13 jaar en nog in de groei. Maar van groei is hier geen sprake met het eenzijdige eten dat hij krijgt. Als hij uitgeput, bijna in slaap valt, hoort hij zijn ouders ruzie maken. De vrouw gilt en de man schreeuwt. Allerlei servies hoort hij tegen de muren in stukken gaan. Lang zal het die nacht onrustig blijven, tot hij uiteindelijk tegen zonsopgang vermoeid in slaap valt.

Rolf heeft in lange afzondering een eigen wereld geschapen. Hij ziet schimmen, afgetekend door het buitenlicht, alsmaar veranderen in allerlei gedaanten. Ergens op een ongekend tijdstip in de nacht wordt hij opgeschrikt. Hij voelt een hand tegen zijn wang strelen. Het is zijn vader die hem met een grote grijns doet rillen. “Moet je nog een extra bordje pap?”, vraagt hij. Zijn vader draait aan zijn oor totdat er bloed uitkomt. Als de vader de kamerdeur achter zich sluit en de krakende trap afloopt hoort hij zijn moeder satanisch lachen. De enige toevlucht van Rolf is de diepe slaap. Hij begeeft zich soms in een vertrouwd toverbos. Vol met sprekende dieren. Zij proberen hem op te vrolijken. Midden in het bos speelt hij met kabouters, eekhoorns en vele andere vreemdsoortige dieren. Af en toe mag hij op de rug van een wijze eenhoorn door het bos rijden.

De maanden dat hij nu al opgesloten zit, brengen hem op het idee om voorgoed te ontsnappen. Als hij op de rug van de wijze eenhoorn,  hem om raad wil vragen, is hij net te laat en ontwaakt hij uit zijn droom. ‘Ik moet, als ik weer met de wijze eenhoorn ben, hem direct vragen om hulp, voordat ik weer te vroeg wakker wordt.’ Nachtenlang droomt hij wel, maar niet van het toverbos. Hij raakt in paniek en zelfs het eenzijdige eten dat elke dag door het luik wordt geschoven eet hij niet meer. Op een avond, die langzaam afzakt naar de nacht, is Rolf zo verzwakt, dat nu zelfs de schimmen vanaf de muur hem in geheimtaal van alles toefluisteren. Hij voelt zich wakker terwijl hij slaapt. Hoort kaboutertjes rond een kampvuur zingen. En dan, ja, vanaf de heuvel ziet hij in het maanlicht de wijze eenhoorn.  Hij is terug in het vertrouwde toverbos. Hij wil naar hem toe maar zit vastgevroren aan de grond. Toch ontvangt Rolf een teken van de wijze eenhoorn, alleen kan hij niet direct begrijpen wat. De droom gaat over in een andere droom. In een klas vol lachende kinderen die hem aanstaren en gekscherend naar hem wijzen. De juffrouw met gekke dikke brillenglazen komt op hem af met een lange stok. Ze maakt een slaande beweging. Rolf schikt wakker en stoot zijn hoofd tegen de grond. Hij voelt een wind tegen zijn gezicht blazen.

Het ovale glas-in-loodraam blijkt aan stukken. Hij ziet een opening naar vrijheid. Nog dezelfde nacht als zijn vader weer op de zolderkamer binnenkomt met een ijzeren staaf in zijn hand. Is Rolf verdwenen.


Marcel R. van der Kwaak 

Wil je dit prachtige verhaal voorgelezen horen, luister dan naar  Kairos: bitly.com/TtRc0u
 

Monday, 15 October 2012

Een schrijver in een gesloten inrichting


Door de ijver van zijn krankzinnigheid is de schrijver Koenraad voor een tijdje opgesloten. Zijn werkelijkheid was al maanden verbleekt door de zware medicamenten. Alles wat hij dacht mee te maken, was vaak niet wat geleek te gebeuren. Of toch wel, hij wist het totaal niet meer. In een licht blauw dragend uniform zit hij alleen in zijn kamer. Met half gesloten ogen ziet hij de meeuwen boven de duinrand cirkelen. Deze inrichting ligt aan de rand van een bos in een duingebied. En dient als doel om doorgedraaide kunstenaars hulp te bieden. De gehele dag speelt er vreemdsoortig, maar soepel klinkende muziek door het gebouw om zo de medicamenten beter te kunnen laten inwerken. Het verplegend personeel heeft als doelstelling, dat de kunstenaar na langdurige behandeling weer verder kan met het bedrijven van de kunst. Ik wil het met u hebben over die ene man. Koenraad. Bij elk boek dat van hem uitgeven werd kwam veel commotie los. Niet alleen bij het lezerspubliek maar ook bij enkele critici. Nu zit deze man aan een tafel met een pen in de hand tekeningen te maken, die hij ooit in letters en in prachtige volzinnen aan het papier toevertrouwde. Hij was trots op zijn werk, wat veel inspanning vergde. Toen na een boekpresentatie bij hem de stoppen doorsloegen en hij ƩƩn van de critici te lijf ging. Van het verplegend personeel kon hij slechts van ƩƩn iemand alles velen. Ze was zijn mentor in alle opzichten. En zonder het tegen hem te durven zeggen zijn grootste bewonderaarster. Bij de eerste ontmoeting voelden zij zich sterk tot elkaar aangetrokken. Zuster Cora, een vijftien jaar jongere aantrekkelijke vrouw.  In alle opzichten geschikt en was voor velen als een zorgzame moeder. Het was voor Koenraad een zegen. Die hij als zijn zeldzame beschermengel beschouwde. Als Koenraad diep in de nacht onrustig door zijn kamer marcheerde kwam zuster Cora langs. En zong zij op zijn bed zittend. Streelde door zijn haar. Totdat hij zijn eigenzinnige werkelijkheid in dromen kon waarmaken. Zelfs wanneer zuster Cora geen dienst had ging zij naar de inrichting om voor Koenraad te zorgen. Ze gingen samen vaak wandelen in het bos, terwijl Koenraad haar verhalen vertelde. Tijdens een wandeling op een warme zomerse zondagdag middag bleven zij staan bij een hoogduin met in het riet een verscholen bunker. Ze kropen naar binnen. Zuster Cora had van thuis een fles van de beste kwaliteit sterke drank meegenomen waar Koenraad zoveel van hield. Ze had geen glazen meegenomen en dronken om beurten uit de fles. Doordat het de laatste dagen zo ontzettend warm weer was, was het in de bunker aangenaam. Toen de fles half leeg was, streelde ze elkaar hartstochtelijk. En kusten ze elkaar of het de laatste was vlak na een galgenmaal hangend in een strop. “Laten we gaan zwemmen”, fluisterde zuster Cora in zijn oor.

De twee kleden zich helemaal uit en liepen hand in hand over een leeg strand naar de zee. Voordat ze de zee ingingen keek Koenraad naar de lachende zuster Cora. In zijn lichaam ging het bloed in stroomversnelling. De voor de liefde bestemde hormonen vloeide door zijn gehele lichaam dat hem deed rillen. Ze liepen door de golven van de zee tot aan een zeebank. “Het is hier heerlijk”, gilde zuster Cora. In een hevige omstrengeling. Bij Koenraad ontwaakte spookachtige stemmen in zijn hoofd.

Hij raakte in paniek en hoorde hoe zuster Cora tegen hem sprak. “Ik heb je te pakken!” Hij keek verward over het lege strand, terwijl hij zuster Cora om de hals kneep. Het geluid van de schaterende zuster Cora sloeg als een echo tegen de duinrand terug. Slijm en maagzuur spoten door haar luchtpijp langs haar mondhoeken naar buiten. Terwijl zij langzaam een rood gezicht vertoonde en de ogen uit haar oogkassen vielen, voelde haar gezicht koud aan. Hoorde Koenraad ineens zuster Cora zingen. Ontving hij een prijs met veel gejuich uit het publiek. Koenraad was voor lange tijd een verloren ziel op aarde.

Marcel R. van der Kwaak

Monday, 1 October 2012

Alleen voor jou

Verlaten gespiegelde straten door hevige regenbuien op een late avond. Zit een man aan een tafel. Af en toe kijkt hij naar buiten en schrijft hij een enkele zin. Aan diegene waar hij zoveel van houdt. Geen brief. Die zou zijn bestemming missen. Schenkt om de zoveel tijd zijn glas vol. Drinkt en mijmert. De whisky galmt door zijn lichaam en maakt hem sterk als een prooi van het verval. Vanochtend is hij nog bij zijn geliefde langs geweest. In een buitensporig visioen. Liggend op een bank met het hoofd tegen een gekleurd kussen.

Het plafond bestond uit een hemelzee, waarbij de zon geen kans kreeg om door te breken. Met gesloten ogen liep hij naar het balkon. Vloeide langs de schuifdeur en ging zitten in een rietenstoel. Tegen de glazenrand van het stenenmuurtje zag hij ineens in spiegelbeeld vele mensen in de kamer. Het leek een ontspannersfeer van mensen, vrienden en kennissen.

Een samenzijn als een feest van herkenning. Er volgde tegelijkertijd vele schrijvende zinnen, die hij nauwelijks kon herlezen door zijn betraande gezicht. Hij stond op. Zigzagde door zijn kamer naar de keuken. Bleef daar even staan. Na enig besluit besloot hij iets te eten gaan maken.

Wonderwel viel niets uit zijn handen en bleek het bereiden van het etensmaal hem zelfs iets op te vrolijken. Niet dat het veel bijzonders was. Brood met gebakken ei en gesnipperde blokjes ui en wat groente. Hij besloot tijdens het eten zijn schrijverij nog eens nauwkeurig onder de loep te nemen.


Zijn glas dat half vol was lichtte hij op, keek door het glasvizier als een astronoom en zag de brandende lantaarnpaal in kleur. Er bleek toch duidelijk leven zichtbaar. Er zoemde van alles rond het licht. Zette zijn glas weer neer op tafel naast het beschreven papier, en at zijn bord verder leeg, schoof het gelijktijdig afwijzend opzij. Wat nu? Deze vraag dolde hem al maanden in het hoofd. Als bij een ster aan een heldere hemel zag hij haar.

De maan. Onze zorgzame moeder waakt. Hij bekeek nogmaals zijn geschreven woord.

Voelde ineens twee zachte handen op zijn schouders. Hij keek niet om, het voelde vertrouwd. Hoewel er verder niemand in zijn huis was, alleen hij, in al zijn verdwazing van levensgeluk en ontevredenheid voelde hij de laatste tikken van de klok naderbij.

Zonder enkele tegenzin, voelde het als een veer tegen de wang. Kwam het gebonden zeemanstouw als een tros aan de kade om zijn nek te hangen. Langzaam werd de luchtpijp aangetrokken. Zag hij de maan lachen en zijn letters op het papier dansen van geluk.

Hoorde kort daarna zijn eigen stem door de kamer eenmaal zeggen.

“Alleen Voor Jou”.

En zijn visioen werd uiteindelijk werkelijkheid!

Marcel R. van der Kwaak

Monday, 24 September 2012

Het leven is geweldig

Ik ben op weg met de bromfiets. Waarheen? Dat zal ik u later vertellen. Vanaf mijn bescheiden woning reis ik af naar elders in den landen. Donkere wolken dreigen met neerslag. Voorlopig is het gelukkig nog droog, maar voor hoelang? Ik ben op weg om iets mee te maken wat de algemene geestelijkengesteldheid niet of nauwelijks kan bevatten. Na enkele minuten begint het inderdaad te regenen. Ik voel mij even een professional weerkundige.Eerst wat schuwe druppels, daarna een bui dat menig leeg zwembad in enkele seconden tot over de rand vult. Mijn hoop en verwachting is datgene te vinden dat mij verlichting kan bieden. Soelaas voor lichaam en geest. Het weer trekt even bij, om zich naar het aanzien de schone wolken later weer te vullen met gelukzalig hemelswater.

Grijs zijn de dagen. Af en toe breekt de zon door. Muzikaal klinkt een verhaal door mijn hoofd, zoekend naar de laatste zin van het leven. Een geboorte geeft met tegenzin een schreeuw. Er is even geen weg meer terug. Alles om je heen is aan verandering onderhevig. De Dood krijgt steeds meer een betekenis. En de zin van het leven ebt langzaam weg.

Terwijl ik al reizend door het land ga, verdwaal ik in mijn levensgeschiedenis. Ik rijd gestaag langs verlaten weilanden en eenzame boerderijen. Geen sterveling kom ik tegen. Een atoombom lijkt te zijn gevallen. Alles lijkt noch thans in mijn voordeel te zijn. Alleen ik. Doorbreek stilte. Het geluid van de brommer die zijn energie uitblaast door de uitlaat laat verder geen sporen patroon na. Voor geen forensisch instituut ben ik na trekken. Doordat ik geen bestemming heb, is het vragen naar de weg niet noodzakelijk. Tussen de buien door, voel ik dat ik op koers lig. Maar waarheen in Godsnaam?

Als ik door Breda rijd en uiteindelijk de onbewaakte grens over ga, voel ik vrijheid. Grenzeloos gaat mijn geschiedenis over in fantasieƫn. Fantasieƫn zijn om al wat men meemaakt een bittere noodzaak om te zien te overleven. Neen, het leven is geen ochtendglorie dat zo lang men leeft gepaard gaat in een speelse tuin van geluk. Zonder ook maar ergens zorgen over te hoeven maken. Harmonieuze muziek. Vrolijk spelende kinderen. Dat alles onder een blauwe hemel van geluk en vrede.


De Ardennen

Hier in Belgiƫ als een ietwat verlegen Vlaamse schoonzuster van Nederland blijkt thans mijn voorlopige eindbestemming. De afstand vanaf mijn leefomgeving is zo ver verwijderd naar hier, dat ik besluit even een eetpauze te plannen. Laat de bromfiets stapvoets rijden, kom tot stilstand bij een eethuis. Alsof ik vanuit het heden in een ver verleden afdwaal. De omgeving is betoverend als een droom. Levensecht maar niet tastbaar. Het eethuis stamt van eeuwen geleden. Bijna niets van moderne, schreeuwende middelen aanwezig. Alles zo eenvoudig en zonder enige haast. Kijk ik geparkeerd en zie door een klein venster van het etablissement kaarslicht. Rook dat uit de schoorsteen komt, lijken nieuwe wolken te worden.

Plaats de brommer tegen een oude eik. Het stuurslot lijkt mij afdoende als voorzorg. Ineens bedenk mij een voorstelling. Er zou toch geen busje langskomen terwijl ik uitrust in het stamcafƩ. Een viertal mannen van verschillende leeftijden, onherkenbaar om door het land geparkeerde brommers in te laden om daarna deze voor een schappelijke prijs weer van de hand toe doen met een valse glimlach en volle buit. Ik word opgeschrikt door een plotselinge hoosbui. Gehaast kan ga ik naar binnen. De brommer achterlatend als een meegereisd hondje dat niet naar binnen mag. Onderweg heb ik al rijdend wel wat gedronken maar dacht aan een ontbijt thuis voorlopig voorzien te zijn van een volle maag. Misschien is het de Nederlandse gierigheid om vooral thuis genoeg te eten, drinken ook van thuis mee te nemen om verder niets te hoeven kopen onderweg.

Als ik aan een tafeltje zit voel ik een flauwte opkomen. Mijn handen en benen trillen en voel mijn voorhoofd vochtig worden. Mijn natte jas hang ik over de stoel naast mij. Een menukaart ligt voor mij en lees ik al trillend.

Ik maak snel een keuze. Bestel een dagschotel. Onderwijl kijk ik wat rond. Het is er rustig. Een barman poetst de kraan van de tap en rolt even later een vat bier dat hij vakkundig aan de tap aansluit. Een man in een uniform zit onderuitgezakt naast de bar te slapen. Enkele dienstmeisjes kletsen tegen elkaar en soms proesten ze het uit van het lachen. Als ik mijn bord wegschuif zie ik vanuit mijn ooghoek iets verdachts buiten. Een busje stopt. Ik zie een man achter een schuifdeur kijken naar mijn brommer. Ik wacht af wat er gaat gebeuren. Achter mij hoor ik de dienstdoende meiden weer lachen en het busje rijd weg.

Gelukkig. Zie je nou wel dat het ook weer niet zo vreemde gedachtegang was. Als ik afrekening kijkt het dienstmeisje over mijn schouder naar buiten.

“Oh, daar is ze weer”. “Wat”? Reageer ik. “Zuster Elena van het klooster even verderop”. Ik schenk er niet al te veel aandacht aan. Pak mijn spullen en loop naar buiten om mijn weg te vervolgen.

Voordat ik mijn brommer van het slot wil halen, valt het sleuteltje in een plas. Verplicht het mij gebukt het sleuteltje te pakken, merk ik tegelijkertijd op dat er voetsporen van de non nog zichtbaar zijn.

Ik kniel dieper en voel aan de vochtige grond, zie mijn evenbeeld in de plas veranderen. Een duizeling suist door mijn gehoorgang. Door het afknellen van mijn bloedvaten stroomt er onvoldoende bloed naar mijn hoofd. Dwarrelen al mijn gedachten als losse puzzelstukjes van de tafel. Ik zie en hoor niks meer. De aarde draait verschillende kanten op. Er is geen atmosfeer en zwaartekracht. Ik zit ver verborgen in een zwart gat.

In de plas, zie ik in de rimpeling een bloedend kruis, de beeltenis van de Almachtige met naast Hem, een wenende non. Vertwijfeling maakt mij nerveus, de spanning stijgt en in mijn hoofd maakt een groot orkest zich aanstaande voor een ouverture. Ik word wakker naast mijn brommer. Al ben ik niet meer op de plek bij de oude eik. Ik lig op een binnenplaats van een klooster. Halfliggend zie ik nonnen lopen door de gangen. Hoor ergens gezang. Ik probeer langzaam op te staan, weet mij gesteund door een onzichtbare hand. Die mij lijdt naar een waterbron en ik begin te drinken.

Als dit mijn eindbestemming is zal ik besluiten nooit meer terug te keren. Het lijkt hier zo vredig. Tegen elke conventie in. Vanuit hier hoef ik geen plannen te maken om proberen gelukkiger te moeten worden. Gewoon ergens in een kamer, met tafel, stoel en bed, liefst met uitzicht op een meertje of een oud vervallen kerkhof.

Neen, een mens heeft eigenlijk niet veel nodig dan wat basisbehoeften.

Een zuster neemt mij bij de arm en ik loop door lange gangen. Alles is hier zo schoon dat het lijkt dat ze gisteren hier zijn ingetrokken. Er wordt mij gezegd dat ik zo lang kan blijven als het mij uitkomt. Al snel voel ik mij thuis na enkele dagen. Ik besluit de omgeving te gaan verkennen. Zie twee nonnen in de tuin aan het werk. Alles gaat hier met precisie. Ik verdwaal in de tuin en kom uit bij het kerkhof. Het is er verlaten. Lees enkele nog leesbare teksten op oude grafstenen.

Vanaf deze positie zie ik mijn kamerraam openstaan. De vitrage waait in en uit. Ik voel mij gelukkig en uitgerust.

Marcel R. van der Kwaak