maandag 5 november 2012

Het metalen huis



Ergens diep verborgen in een eeuwenoud herenhuis, zit op een zolderkamertje een tienerjongen. Rolf. Zijn half lange haar dat op zijn schouders rust, geeft hem een meisjesachtig voorkomen. De ruimte waarin hij al maanden opgesloten zit is niet groter dan een vierkante meter. Een venster. Een uit vier verschillende kleuren bestaand ovaal glas-in-loodraam dat hem uitzicht geeft over de gracht. Sinds zijn vroege jeugd woont hij met zijn voor de wet gescheiden ouders, die ondanks alle hevige onenigheid besloten hebben bij elkaar te blijven wonen. Het enorme pand geeft hen genoeg levensruimte. Hij kijkt over de gehele stad. Van de ochtendzon totdat in de avond de lichten opgloeien.

Als het luik onderaan de deur naar boven schuift ziet hij een wit bord met pap. De avond valt gestaag. Rolf is bijna uitgeput. De pap die hij iedere keer te eten krijgt maakt hem steeds meer krachteloos. Hij is pas 13 jaar en nog in de groei. Maar van groei is hier geen sprake met het eenzijdige eten dat hij krijgt. Als hij uitgeput, bijna in slaap valt, hoort hij zijn ouders ruzie maken. De vrouw gilt en de man schreeuwt. Allerlei servies hoort hij tegen de muren in stukken gaan. Lang zal het die nacht onrustig blijven, tot hij uiteindelijk tegen zonsopgang vermoeid in slaap valt.

Rolf heeft in lange afzondering een eigen wereld geschapen. Hij ziet schimmen, afgetekend door het buitenlicht, alsmaar veranderen in allerlei gedaanten. Ergens op een ongekend tijdstip in de nacht wordt hij opgeschrikt. Hij voelt een hand tegen zijn wang strelen. Het is zijn vader die hem met een grote grijns doet rillen. “Moet je nog een extra bordje pap?”, vraagt hij. Zijn vader draait aan zijn oor totdat er bloed uitkomt. Als de vader de kamerdeur achter zich sluit en de krakende trap afloopt hoort hij zijn moeder satanisch lachen. De enige toevlucht van Rolf is de diepe slaap. Hij begeeft zich soms in een vertrouwd toverbos. Vol met sprekende dieren. Zij proberen hem op te vrolijken. Midden in het bos speelt hij met kabouters, eekhoorns en vele andere vreemdsoortige dieren. Af en toe mag hij op de rug van een wijze eenhoorn door het bos rijden.

De maanden dat hij nu al opgesloten zit, brengen hem op het idee om voorgoed te ontsnappen. Als hij op de rug van de wijze eenhoorn,  hem om raad wil vragen, is hij net te laat en ontwaakt hij uit zijn droom. ‘Ik moet, als ik weer met de wijze eenhoorn ben, hem direct vragen om hulp, voordat ik weer te vroeg wakker wordt.’ Nachtenlang droomt hij wel, maar niet van het toverbos. Hij raakt in paniek en zelfs het eenzijdige eten dat elke dag door het luik wordt geschoven eet hij niet meer. Op een avond, die langzaam afzakt naar de nacht, is Rolf zo verzwakt, dat nu zelfs de schimmen vanaf de muur hem in geheimtaal van alles toefluisteren. Hij voelt zich wakker terwijl hij slaapt. Hoort kaboutertjes rond een kampvuur zingen. En dan, ja, vanaf de heuvel ziet hij in het maanlicht de wijze eenhoorn.  Hij is terug in het vertrouwde toverbos. Hij wil naar hem toe maar zit vastgevroren aan de grond. Toch ontvangt Rolf een teken van de wijze eenhoorn, alleen kan hij niet direct begrijpen wat. De droom gaat over in een andere droom. In een klas vol lachende kinderen die hem aanstaren en gekscherend naar hem wijzen. De juffrouw met gekke dikke brillenglazen komt op hem af met een lange stok. Ze maakt een slaande beweging. Rolf schikt wakker en stoot zijn hoofd tegen de grond. Hij voelt een wind tegen zijn gezicht blazen.

Het ovale glas-in-loodraam blijkt aan stukken. Hij ziet een opening naar vrijheid. Nog dezelfde nacht als zijn vader weer op de zolderkamer binnenkomt met een ijzeren staaf in zijn hand. Is Rolf verdwenen.


Marcel R. van der Kwaak 

Wil je dit prachtige verhaal voorgelezen horen, luister dan naar  Kairos: bitly.com/TtRc0u
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen